[email protected] 2.1

U bent in menu 5. Nieuwsarchief

Broodkruimelpad

Home Waddenzee 2000 - 2008 WARME WINTER NIET GOED VOOR NONNETJE

Nieuwsarchief Waddenzee 2000 - 2008

WARME WINTER NIET GOED VOOR NONNETJE

woensdag 28 september 2005

GRONINGEN - Het uitblijven van strenge winters heeft gevolgen voor het leven in de Waddenzee. De teruggang van nonnetjes (kleine schelpdiertjes) wordt door onderzoeker Bos toegeschreven aan het feit dat het zeewater opwarmt. Er zijn minder algen, waardoor nonnetjeslarven ondervoed blijven, en daardoor een makkelijke prooi voor garnalen.
Tot die conclusie komt promovendus O. Bos van het Koninklijk Nederlands Instituut voor Onderzoek der Zee (NIOZ) op Texel. Hij zocht een verklaring voor de grote variatie in de jaarlijkse hoeveelheid nonnetjes op het wad. Een belangrijke oorzaak is een gebrek aan voedsel in de eerste weken van hun bestaan, ontdekte Bos. Deze ondervoeding is een direct gevolg van de zachte winters van de laatste jaren. Bos promoveert op 7 oktober aan de Rijksuniversiteit Groningen.

Nonnetje
De hoeveelheid schelpdieren in de Waddenzee is al jaren onderwerp van verhit debat tussen onderzoekers, natuurbeschermers en schelpdiervissers. Zo zouden kokkelvissers te veel voedsel wegvissen voor schelpdier-etende vogels als de scholekster en de eidereend. In jaren van schaarste leidde dit tot een verhoogde sterfte onder deze vogels.
Het nonnetje (Macoma Balthica), een tweekleppige met een tere pastelkleurige schelp, is een van de meest voorkomende schelpdieren in de Waddenzee. Het leeft ingegraven in de bodem, eet algen en bacteriën en is een belangrijke voedselbron voor wadvogels en platvissen. Al sinds 1969 nemen biologen van het NIOZ tweemaal per jaar monsters op het Balgzand, een wadplaat tussen Den Helder en de Afsluitdijk. Uit dit lange-termijnonderzoek is gebleken dat de jaarklassterkte van het nonnetje al in het eerste jaar bepaald wordt: hoe meer eerstejaars nonnetjes er zijn, hoe meer volwassen schelpdieren er een paar jaar later op het wad te vinden zijn.

Voet
Schelpdierlarven halen in de natuur slechts maximaal 25 procent van de energie binnen die nodig is voor maximale groei. Een goede maat voor ontwikkeling bij larven is de vorming van een voetje, waarmee de schelpen zich in het sediment kunnen ingraven. De groei en ontwikkeling bleek sterk af te hangen van het voedselaanbod. Ondervoede larven groeien en ontwikkelen zich langzamer. Een voedseltekort kan zo indirect leiden tot een vroege dood doordat de kleine nonnetjes een makkelijke prooi vormen voor roofdieren zoals de garnaal. Bos: 'Garnalen zoeken de kleinste schelpjes eruit’.

Voedseltekort
Een tekort aan algen in de Waddenzee ontstaat vooral na warme winters. Nonnetjes planten zich voort als de temperatuur van het water na de winter is opgelopen naar 8 tot 9 graden Celsius. Het op gang komen van de grote voorjaarsbloei van algen wordt echter uitsluitend bepaald door hoeveelheid licht en hangt af van de daglengte en daarmee van de zonnestand. In warme winters verschijnen de nonnetjeslarven dus al veel vroeger in het jaar dan hun voedsel, met als gevolg ondervoeding en een kleine broedval. Door de opwarming van de aarde zijn er steeds meer milde winters, wat leidt tot een toenemend aantal jaren met een kleine broedval, met als direct gevolg een kleine populatie aan volwassen nonnetjes enkele jaren later. Het onderzoek ondersteunt zo de theorie dat klimaatsveranderingen in Nederland leiden tot slechtere overlevingskansen voor deze schelpdieren.

Bron: Friesch Dagblad